Wednesday, April 19th, 2006

Museum in ¿Motion? Conference Proceedings : Boekpresentatie

Het digitale boek Museum in ¿Motion? Conference Proceedings bevat de bijdragen die geleverd zijn aan het gelijknamige symposium dat plaatvond op 12 en 13 november 2004 in Museum Het Domein in Sittard en in de Jan van Eyck Academie in Maastricht. De presentatie van het digitale boek vond plaats op 18 april in de Bibliotheek van het Van Abbemuseum. Ter gelegenheid van de boekpresentatie hield Diana Franssen een lezing over ‘De Straat. Vorm van samenleven’, de legendarische tentoonstelling in het Van Abbemuseum in 1972

Lezing Museum in Motion/De Straat

1.
Geachte aanwezigen,

In tegenstelling tot wat op de uitnodiging staat vermeld, vertel ik U iets over het project Living Archive, hier in het Van Abbemuseum, in samenhang met de tentoonstelling De Straat uit 1972.

Wat is het Living Archive?

Living Archive is de naam van een serie documentaire tentoonstellingen met de archieven van het Van Abbemuseum als uitgangspunt. In de serie presentaties wordt gepoogd om de archief- en tentoonstellingsfunctie met elkaar te combineren. In een archief worden lineaire en zaaksgewijze ordeningsprincipes gehanteerd, gericht op het ontsluiten van informatie. Onderzocht wordt hoe deze informatie op een beeldende wijze publiek kan worden gemaakt en welk effect dat heeft op ideeën over presenteren en archiveren. Daarnaast biedt het archiefmateriaal als het geheugen van het museum de mogelijkheid meer te tonen dan de actuele tentoonstellingen.
We gebruiken het Living Archive project ook als inspiratiebron voor onze bezoekers om te begrijpen waarom er gekozen wordt voor een experimenteel museumbeleid en de wijze waarop dit beleid tot stand komt.
Living Archive gebruikt de archieven niet als “read only memory” maar als een actief werkgeheugen. Zo laten zich de relatief statische archieven verbinden met een dynamische en actuele externe wereld. Living Archive-presentaties zijn geen waardevrije tentoonstellingen, maar het project functioneert eerder als een organisme dat toetst, reflecteert, bekritiseert, produceert en actualiseert.

Waarom De Straat als eerste project binnen het Living Archive?

Zoals bekend was De Straat. Vorm van Samenleven een van de belangrijkste tentoonstellingen in de periode van Jean Leering. Voor Leering was de tentoonstelling een bewijs van de nieuwe rol die het museum zou kunnen gaan vervullen; het museum zou kunnen bijdragen aan de bewustwording van maatschappelijke veranderingsprocessen. De Straat is slechts een van de exponenten van Leerings beleid en in die zin niet maatgevend, al wordt dat nu misschien wel zo ervaren. Leering zocht in zijn tentoonstellingen altijd naar de verbinding tussen kunst en maatschappelijke ontwikkelingen en dat was bij De Straat niet het geval. Kunst en kunstenaars, of beter gezegd de straat als terrein voor artistieke acties, speelden al snel geen rol van betekenis meer in het concept. In plaats daarvan ging alle aandacht uit naar de problematiek die aan het gebruik en de vormgeving van de straat was verbonden.

2.
In 1972 werd De Straat in de pers niet juichend ontvangen (daarover later meer), maar opmerkelijk is wel dat er de laatste jaren een ware Straat-revival gaande is. Tal van tentoonstellingsmakers, variërend van Charles Esche en Bart de Baere tot Hans Ulrich Obrist noemen De Straat als voorbeeldproject. Ze zijn allemaal te jong om De Straat ook gezien of beter gezegd beleefd te hebben en de vraag is dus waar ze zich nu eigenlijk in hun lofuitingen op baseren. Op de schaarse foto’s die een documentaire inrichting tonen die nu weer bon ton is? Op de catalogus, volgeschreven door specialisten? Op verhalen van degenen die de tentoonstelling wel gezien hebben? Ik weet het niet precies maar ik durf wel te beweren dat De Straat een mythe is geworden, met alle cliche’s die daarbij horen.

Met het Living Archive wilde ik terug naar de bron, naar de tijd toen de samenleving nog maakbaar werd geacht, toen iedereen de mond vol had van democratiseringsprocessen, inspraak en education permanente. Maar ook terug naar de tijd toen gezocht werd naar overdrachtsmodellen die aansloten bij alledaagse ervaringen, hetgeen ook nu in de kunst weer volop in de actualiteit staat. Ik wilde met bescheiden middelen en in een paar kleine ruimtes de vraag opwerpen of de ideeën van toen nog enige geldigheid hebben, nu anno 2006.

3.
In zaal 1 van de Living Archive wordt de ontstaansgeschiedenis van De Straat belicht.
In zijn programmatisch artikel in Intermediair (1970) over de funktie van het museum, spreekt Leering over de voorbereiding met Harald Szeemann over een tentoonstelling met als thema “de straat”, waarin ook nog aandacht is voor het ”artistieke experiment”. Een aantal kunstenaars zouden tot taak krijgen environments te maken over het onderwerp de straat. In zijn voorstel – ontleend aan zijn tentoonstelling La Rue voor de Hallen in Parijs in 1970 – noemt Szeemann als mogelijke deelnemers o.a. GRAV, Event Structure Research Group, Allan Kaprow, Wolf Vostell, Christo, Stanley Brouwn met This way brouwn en Attitudes van Barry, Boezem, Heizer, Haacke, Smithson en Dibbets en Van Elk. La Rue zou daarnaast aandacht besteden aan de straat als inspiratiebron voor kunstenaars en objecten zoals straatmeubilair, affiches en verkeersborden.

In het voorjaar van 1970 vonden er besprekingen plaats tussen Szeemann, Leering en Prof. Peter Gygax (zwitserse stedebouwkundige) en later de Duitse hoogleraar H. Hitzer. (Boek: Die Strasse. Von Trampfelpad bis Autobahn)
Omdat het museum een duidelijke maatschappelijke taak te vervullen had, prefereerde Leering dat niet de kunst maar de straat zelf het hoofdthema werd. De verschillende internationale werkgroepen zouden dit thema verder uitwerken, met aandacht voor de typologie, en de materiele, sociale en esthetische functies van de straat. Szeemann haakte in maart 1971 af, i.v.m. de voorbereidingen van de Documenta 5. Van het plan om De Straat integraal te tonen op documenta 5 kwam evenmin iets terecht.
De internationale samenstelling van de werkgroep bleek te hoog gegrepen. Uit een brief van Gygax van 10 nov. 1970 blijkt al de irritatie over de moeizame communicatie tussen de “vielbeschaftigten Herren Museumdirektoren und Agenten” . Naar aanleiding van de zoveelste keer dat typologielijsten en discussiepunten niet werden ingeleverd, schrijft Gygax ten einde raad: “Seit ihr gar im Happening & Fluxus Treiben versumpft? “.
Ook Gygax haakte uiteindelijk af, waarbij hij zelfs meende dat hij auteursrechten kon laten gelden.

4.
De internationale groep werden tot informanten verklaard en daarnaast werd er een Nederlandse groep geformeerd en uiteindelijk een kerngroep, die de tentoonstelling moest gaan uitvoeren.

Brieven maken de complexe organisatie duidelijk. Leering vond dat het beleid gedemocratiseerd moest worden en de instelling van een interdisciplinaire werkgroep die de tentoonstelling voorbereidde was daar een uitwerking van. Een multidisciplinair team werd gevormd waarin behalve de museumleiding o.a. ook sociologen, kunsthistorici, historici, geografen, antropologen en stedebouwkundigen zouden zijn vertegenwoordigd. Uiteindelijk werd een beroep gedaan op een groep van 43 deskundigen.
De brieven maken ook duidelijk dat het eigenlijk een onwerkbaar idee was om een tentoonstelling met zoveel mensen te maken. De inbreng van meer kennis leidde tot een steeds complexere discussie en steeds onduidelijker werd hoe al die ideeen gevisualiseerd moesten worden. Die taak kwam toe aan de kerngroep die uiteindelijk verantwoordelijk werd voor de uitwerking van het plan. De leden waren Tjeerd Deelstra (stedebouwkundige), Jaap Bremer (Conservator VAM), en Jan van Toorn (grafisch ontwerper). Leering zelf nam geen zitting in de kerngroep. Hij was druk doende met de nieuwbouwplannen van het museum en bovendien was het een principekwestie. Bij Bouwen 20/40 waren er spanningen gerezen tussen de leider van de werkgroep die verantwoordelijk was voor de tentoonstelling en het werkgroeplid (Leering dus) die verantwoordelijk was voor het totale beleid van het museum.

Iedere twee weken werd er in verschillende samenstelling door verschillende groepen vergaderd, in o.a. het restaurant met de treffende naam De Cosmopoliet te Breda. Voortdurend werd gesproken over de typologieën van De Straat en over de uitbreiding van de groep “kenners” van het veld en literatuur.

5.
Met de veelheid aan plattegronden in zaal 1 heb ik iets willen laten zien van de zoektocht naar de juiste overdrachtsvorm. Jan van Toorn werkte aan een overdrachtsmodel dat de bezoeker aan de hand van de tentoonstelling zou activeren. Het overdrachtsmodel zou moeten aansluiten op de alledaagse ervaringspatronen en dus voor iedereen leesbaar moeten zijn. Kunsttentoonstellingen daarentegen waren alleen leesbaar door kenners en dat mechanisme moest in De Straat koste wat kost doorbroken worden.
Vele malen is de tentoonstellingsplattegrond herzien, enerzijds doordat er een voortschrijdend inzicht ontstond door het steeds verder definiëren en uitsplitsen van het onderwerp. Anderzijds door het voortdurende veranderen van de middelen waarmee men kon werken en door de steeds grotere hoeveelheid materiaal die in de tentoonstelling moest worden opgenomen.

6.
Uiteindelijk bestond de tentoonstelling in hoofdzaak uit honderden foto’s gerangschikt volgens een modulair systeem, met duidelijke jaren 50 referenties. De foto’s hingen op een Herashekwerk, gelardeerd met straatmeubilair in de vorm van bankjes en dranghekken, kamerplanten als vervangers van de natuur en verkeersborden. Ook diaklankbeelden – zoals 7.gereconstrueerd in zaal 3 van de Living Archive – films en video werden gebruikt.

8.
In zaal 2 van de Living Archive is de verdere opbouw van de tentoonstelling en de receptiegeschiedenis te zien. Bij De Straat stond het verband tussen straat en samenlevingsvorm centraal: “Enerzijds is het straatgebeuren een gevolg van het gedrag van de samenleving, anderzijds is zij zelf een conditie tot dit gedrag”, aldus Leering in de inleiding van de catalogus.
Er werden vier samenlevingsvormen onderscheiden:
samenlevingsvormen die nauwelijk een vaste woonplaats hebben – waaronder vissers, jagers, nomaden
sedentaire leefgemeenschappen (landbouwnederzettingen en vroege steden)
pre-industriële samenleving
de industriële samenleving.
9.
Bij dit schema werden karakteristieken gezocht en vragen beantwoord over het ontstaan van de straat en hoe het gebruik en de vorm werden beïnvloed door de toenemende complexiteit van de samenleving. Men constateerde een verschraling in het maatschappelijk gebruik van de straat. In het kader of de straat weer een functie zou kunnen krijgen in het proces van maatschappelijk verkeer was zaal tien gewijd aan de “herovering van de straat”, met acties van Dolle Mina, Vietnamdemonstraties en foto’s uit de tentoonstelling People’s Park, over acties in het park in Berkely. Deze tentoonstelling was al eerder te zien in het museum, maar werd dus opnieuw geïntegreerd. Waarom dat zo was, werd nergens uitgelegd.

10.
In de pers werd De Straat grosso modo slecht ontvangen. De meeste recensenten vonden de vormgeving van de tentoonstelling onduidelijk en overstelpend in zijn informatieaanbod. Betty van Garrel schreef in De Haagse Post (28 juli 1972) dat een willekeurig buurtactiecentrum meer over de straat vertelde dan tien museumzalen vol met foto’s, films en dia’s. Vooral de academische aanpak stond haar niet aan. Daarom was volgens Van Garrel De Straat niet alleen de meest ambitieuze, maar ook de saaiste tentoonstelling van het seizoen.
Walter Barten stelde in de Groene Amsterdammer, dat de herovering van de straat als terrein van politieke en culturele actie het uitgangspunt had moeten zijn. Omdat dit slechts een van de vele facetten was, was De Straat uitgemond in pretentieuze pseudo-vernieuwing. Dat De Straat voor iedereen was, voor en door allen, was een misverstand. Ook bij De Straat overheerste het esthetiserende kijken. En dat had de werkgroep nu juist willen vermijden. De harde realiteitszin en een ferme politieke stellingname ontbraken.
Ton Frenken tenslotte herkende, ook na drie keer de tentoonstelling te hebben bezocht, de uitgangspunten nauwelijks meer in het eindresultaat: “Geen beeld dat trof, dat onverwachts was of verrassend, ontroerend of facinerend of een beeld dat binnensloop om een nieuwe bewustwording of een sensitieve ervaring teweeg te brengen. De foto’s brachten de vage droefenis van veel slechte en lelijke straten, van de domme suprematie van snelverkeer in de geindustrialiseerde maatschappij en van isolement en ellende. Van de complexiteit van diverse samenlevingen was slechts een uiterlijk facet naar voren gehaald. Daardoor leek een bezoek aan de tentoonstelling nog het meest op een vermoeide reiservaring van ‘overal anders, overal eender’, van de buitenkant van mensen en dingen”, aldus Frenken.

11.
De catalogus werd beter ontvangen. Maar ook hier ontbrak de kritiek niet. In het beste geval werd deze omschreven als een boek met losse essays, zonder al te veel samenhang met de tentoonstelling. En ook hier weer een bijzonder hoge informatiedichtheid die zelfs mensen afschrok. De catalogus bevatte artikelen over o.a. een staatloze jagersgemeenschap in Oost Groenland, het straatbeeld in Parijs tussen 1600 en 1914, de Chinese straat als politiek verschijnsel en de ontworpen straat in de Nederlandse polder. Net zo min als bij de tentoonstelling was eigenlijk duidelijk voor wie de catalogus nu precies bedoeld was. Dat het boek losstond van de tentoonstelling was duidelijk, maar waar in de tentoonstelling de toelichting node werd gemist zorgde de catalogus voor een overaanbod.

12.
In de Living Archive is een zaal opgebouwd uit antwoorden op vraaggesprekken met bezoekers uit 1972. Die vraaggesprekken waren van uitermate groot belang omdat ze een indicatie gaven van de meningsvorming. Daar moest het museum onder Leering immers een bijdrage aan leveren. Uit de vraaggesprekken zou kunnen blijken of de nagestreefde doelstelling van beeld- en begripsvorming was bereikt. Het moet een teleurstelling zijn geweest. Gemeten naar de aantallen was de tentoonstelling met meer dan 21.000 bezoekers een doorslaand succes, maar ook de ondervraagden waren in het merendeel niet positief.
Het grootste deel van het publiek vond het concept onduidelijk. De tentoonstelling bevatte een te overvloedige informatiestroom, geen rustpunten voor reflectie en de rode blokken met sleutelinformatie die het concept duidelijk maakten werden niet gezien of pas aan het einde van de tentoonstelling opgemerkt. “Als onderwerp vind ik de straat zeer interessant, maar ik had me wel iets tastbaarders voorgesteld”, merkte een van de bezoekers nog tamelijk vriendelijk op. Een andere bezoeker achtte het een zinloze excercitie. “De makers hebben een opdracht uitgevoerd, een interne bedrijfstentoonstelling. Binnen de museumwereld vindt men dit een hele stap, dit soort tentoonstellingen met een maatschappelijk onderwerp. Het blijkt een modieuze trendgevoeligheid, die met maatschappelijk engagement nauwelijks iets te maken heeft”.

De kritiek was begrijpelijk, zo blijkt ook uit een interne evaluatie. De rondleiders slaagden er nauwlijks in de tentoonstelling voor het voetlicht te brengen. Dat vond zijn oorzaak in de vaak individualistisch verwerkte kennispakketten van de verschillende leden van de werkgroep, die nauwelijks onder een noemer te brengen waren – en dat ondanks de gedemocratiseerde werkwijze in de aanloopfase. Zoveel van foto’s te kunnen aflezen bleek slechts voor specialisten te zijn weggelegd, zodat met recht de opmerking gemaakt werd dat er teveel vanuit het “museumstraatje” gewerkt werd.
Deed het museum met zijn beperkte mogelijkheden, het thema van de straat niet tekort?
Moest het museum, dat een instituut is dat zich op het visuele vlak beweegt, zich met dergelijke zaken bezighouden?

13.
Wat wilde ik nu met de Living Archive/De Straat oproepen?

In de eerste plaats wilde ik duidelijk maken dat De Straat, hoe uniek ook, op zijn zachtst gezegd een problematische tentoonstelling was, zowel in concept, uitvoering als in de gekozen overdrachtsmodellen. Ambitieus van opzet en academisch door zijn topzware concept. Zodoende schoot de tentoonstelling zijn doel voorbij.
Natuurlijk, De Straat was een waardevol experiment en ik ben er geenszins op uit om de samenstellers te beschuldigen van naïviteit of een tunnelvisie op het onderwerp.
Wat ik van belang vind is meer historisch bewustzijn, over wat De Straat als tentoonstelling nu eigenlijk was.
Laten we beginnen om de uitgangspunten van De Straat ter discussie te stellen en op hun merites te beoordelen. Want zolang we alleen blijven kijken naar de buitenkant van De Straat leeft de mythe voort.

Diana Franssen

 


 

Van Abbemuseum
This blog is a project of the Van Abbemuseum
Contact: webmaster@vanabbe.nl
VAM Library blog is proudly powered by WordPress
Entries (RSS)