Museumhistorie II : museumbeleid Visser

Sunday, July 25th, 2010

Museumhistorie II : het museumbeleid van W.J.A. Visser (1936-1946)

Tentoonstellingen

 Als eerste directeur zou dr. Wouter Visser (1904-2002) zijn werkzaamheden in februari 1936 aanvangen. Bij de formulering van zijn museumbeleid zou Visser worden ondersteund door een commissie van externe deskundigen.  Een belangrijke rol speelde in de eerste plaats de zogenaamde Commissie van Advies, die al in oktober 1933 was geformeerd en bestond uit D. Hannema (directeur van het Rotterdamse Museum Boymans) C.W.H. Baard (tot 1936 directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam) en diens opvolger D.C. Röell. Daarnaast werd in 1936 nog een Commissie van Toezicht ingesteld waarin onder meer de stichter Henri van Abbe zitting nam (1).

W.J.A. Visser (foto: RKD)

Opgeleid als mediëvist startte dr. Wouter Visser (1904-2002) na de openingstentoonstelling Hedendaagsche Nederlandsche Kunst (2) een ambitieus programma (3) .  Het Van Abbemuseum mocht dan een stedelijk museum  zijn, dat betekende niet dat kunstenaars afkomstig uit Eindhoven of Noord-Brabant te prefereren waren. De tentoonstelling gaf met zijn 185 schilderijen en tekeningen en 22 beeldhouwwerken van in totaal bijna honderd kunstenaars een vrij compleet overzicht van de op dat moment courante moderne kunst. Na de openingstentoonstelling startte Visser de voorbereidingen voor een tweede grote overzichtstentoonstelling – gewijd aan de hedendaagse Belgische schilder- en beeldhouwkunst – die in 1937 zijn beslag kreeg  (4)

Zaaloverzicht Hedendaagsche Nederlandsche Kunst, 1936

 

Zaaloverzicht Hedendaagsche Nederlandsche Kunst, 1936

Met solotentoonstellingen als die van Matthieu Wiegman (1936), Toon Kelder (1937), Kees van Dongen en Jan Sluijters (1938) en groepstentoonstellingen gewijd aan onder meer de Bergense School (1939) en de Groningse vereniging De Ploeg (1940) trok Visser de lijn door van de eerste tentoonstelling.  In een terugblik benadrukte Visser dat de ‘moderne koers’ het nodige verzet in Eindhoven opriep: “Sommigen waren er helemaal niet van gediend. Zij wilden een rustig, plaatselijk  museum met een plaatselijke collectie, die altijd te bezichtigen was. En daarmee basta” (5).  Hoewel het accent van het tentoonstellingbeleid lag op de hedendaagse nationale en internationale kunst, sloot Visser evenwel de oude kunst niet uit. Zo werd al in 1936 een blockbuster tentoonstelling georganiseerd van zestiende-  en zeventiende-eeuwse Hollandse, Vlaamse en Italiaanse schilderijen uit de collectie van de Firma Katz . In het voorwoord van de catalogus  formuleerde Visser op elegante wijze waarom een tentoonstelling van oude kunst gehouden werd in een museum voor moderne kunst: “omdat het eeuwige in deze werken niet is verouderd of verouderen kan.[…] Modern wil niet alleen zeggen “van heden” in de tijdsorde, maar ook “van heden” naar de geestelijken inhoud der dingen gesproken’ (6)

Affiche tent. ‘Fa. Katz te Dieren’, 1936-1937

Met een afwisselend programma van rondleidingen, lezingen en cursussen kunstgeschiedenis poogde Visser ondersteunend aan de tentoonstellingen verschillende publieksgroepen te bereiken en het bezoekersaantal te verhogen. Om ‘de geldmiddelen van het museum te vermeerderen’ werd ook een vriendenkring van het museum in het lopen geroepen.  Dat het museum ook educatieve en documentaire taken had te vervullen maakte Visser duidelijk door in 1937 een begin te maken met de inrichting van een kunsthistorische bibliotheek.         

 Aankopen

Met het door Henri van Abbe gereserveerde bedrag werden voor de opening van het museum 26 schilderijen  gekocht van onder meer Carel Willink, Jan Sluijters, Wim Schuhmacher en Dirk Nijland.  Al die schilderijen waren afkomstig uit Van Abbe’s privé-collectie. Uit de openingstentoonstelling Hedendaagse Nederlandse Kunst  werden opnieuw schilderijen aangekocht, in totaal 13 stuks van onder meer Charles Eyck, Leo Gestel en Gerard Röling. De rol van de externe adviseurs bleek hierna uitgespeeld en de selectie van de werken werd overgenomen door Visser en de Commissie van Toezicht. Vissers voorstel om van de belangrijkste representanten van hedendaagse stromingen schilderijen te verzamelen werd aangenomen, maar toch liep vanaf 1937 het aantal aankopen sterk terug. Leemtes in de collectie werden verder zo goed mogelijk opgevuld door bruiklenen. Ook in de jaren dertig werd dus gestreefd naar een samenhangend collectie- en tentoonstellingsbeleid in overeenstemming met de eigentijdse artistieke ontwikkelingen, zij het dat de meer avant-gardistische tendensen ontbraken (7). De solotentoonstelling van Theo van Doesburg in 1936 was wat dat betreft dan ook een uitzondering.      

 Het museum in de praktijk

Ofschoon Visser na de opening met een ambitieus programma het museum op de kaart poogde te zetten functioneerde het na 1938 steeds moeizamer. Fnuikend was vooral het ontbreken van voldoende personele en financiële middelen. Visser zelf was slechts aangesteld voor twee dagen in de week en moest buiten zijn werkzaamheden als archivaris vanaf 1939 deze banen nog combineren met een docentschap. Naast Visser was in het museum alleen nog een conciërge werkzaam, die in de praktijk ook fungeerde als inrichter en suppoost.  Problemen waren er ook  met het tonen van naakten en de openstelling. Met de nota ‘Over de moreele normen bij het tentoonstellen van kunstvoorwerpen in het Stedelijk  Van Abbe-museum’’ (8) trachtte Visser de weerstand in het ‘preutsche Zuiden’ weg te nemen. Zonder veel succes overigens.  Omdat de gemeente de ruimte nodig had werd bovendien eind 1938 het museum een half jaar gesloten.  Langzaam maar zeker zakte het museum met de oorlogsdreiging verder weg in een regionaal isolement.

Vanaf de bezetting verslechterde de dagelijkse gang van zaken in het museum. Geplande tentoonstellingen werden afgelast en het heemkundig Museum Kempenland en later de luchtbeschermingsdienst werden in het museum ondergebracht. Het tentoonstellen werd verder bemoeilijkt door de groene verf op het glazen dak, aangebracht om het gevaar van bominslagen te voorkomen.  Visser nam februari 1942 ontslag omdat hij er niets zag in het organiseren van NSB-tentoonstellingen. Visser werd opgevolgd door J.P.G. Peeters en L. Vrijdag.   Onder de directoraten van Peeters en Vrijdag zou het museum steeds meer verworden tot een podium voor propagandatentoonstellingen.  Visser werd na de bevrijding weer aangesteld, maar werd al in 1946  directeur van de Rijksmonumentenzorg.   

Affiche tent. ‘Huisvrouwen worden vindingrijk’, 1943 (Coll. Ned. Inst. Oorlogsdocumentatie)

  Noten:

    1. Jaarverslag Stedelijk Van Abbemuseum 1936-1937
    2. Tent. cat. Hedendaagsche Nederlandsche Kunst , 1936
    3. Nota ‘Tentoonstellingen in het Stedelijk Van Abbe-museum te Eindhoven’, ongedateerd [1937]. VAM Beheersarchief 1936-1979, inv. nr. 58
    4. Tent. cat. Hedendaagsche Belgische schilder- en beeldhouwkunst, 1936
    5. Eindhovens Dagblad, 10-05-1969
    6. Voorwoord‘,  Tent. cat. Tentoonstelling van 16de en 17de eeuwsche Hollandsche, Vlaamsche en Italiaansche schilderijen uit de collectie der Fa. Katz te Dieren, 1936-1937
    7. Nota ‘Aankoop van schilderijen ten behoeve van het Stedelijk Van Abbe-Museum’, ongedateerd [1936-1937]. VAM Beheersarchief 1936-1979, inv. nr. 61
    8. Nota ‘Over de moreele normen bij het tentoonstellen van kunstvoorwerpen in het Stedelijk Van Abbe-Museum te Eindhoven’, ongedateerd [1937]. VAM Beheersarchief 1936-1937, inv. nr. 61

Suggesties voor verder lezen:

  •  R. Pingen, Dat Museum is een Mijnheer (Amsterdam : Artimo, 2005), pp. 2-56
  • M. Rijnders, De Verzameling van het Van Abbe, deel V : De periode W.J.A. Visser 1936-1942, in: Jong Holland, No. 3, 1999, pp. 48-53 

Translation :

Museumhistory II : The museum policy of W.J.A. Visser (1936-1946)

Exhibitions

As the first director Dr. Wouter Visser (1904-2002) assumed his duties in February 1936. In formulating his museum policy he would be assessed by a committee of external experts. An important role played the so-called Advisory Committee, which already was formed in October 1933 and was comprised of D. Hannema (Director of the Rotterdam Museum Boymans) C.W.H. Baard (until 1936 director of the Stedelijk Museum in Amsterdam) and his successor D.C. Röell. In addition in 1936 a Supervisory Board was appointed, which included the founder Henri van Abbe (1).

Trained as a medievalist Dr. Wouter Visser (1904-2002) started after the opening exhibition ‘Contemporary Dutch Art‘(2) an ambitious program (3). Although the Van Abbemuseum is a municipal museum, that didn’t  mean that artists from Eindhoven or Noord-Brabant were to be preferred. The exhibition gave with its 185 paintings and drawings and 22 sculptures (representing nearly one hundred artists) a complete overview of the then current modern art. After the opening exhibition Visser started preparations for a second major exhibition – dedicated to the Belgian contemporary painting and sculpture – which was showed in 1937 (4).

With solo exhibitions of Matthieu Wiegman (1936), Toon Kelder (1937), Kees van Dongen and Jan Sluyters (1938) and group exhibitions devoted to the Bergense School (1939) and the Groningen artist group De Ploeg (1940), Visser elaborated on the initial exhibition. In retrospect Visser stressed that the “modern policy”  evoked resistance in Eindhoven: “Some were not at all pleased. They wanted a quiet, local museum with a local collection, which was always open to visitors. “(5). Although the emphasis of the exhibition policy was on the national and international contemporary art, Visser however did not excluded ancient art. Thus, in 1936 a blockbuster exhibition of sixteenth-and seventeenth-century Dutch, Flemish and Italian paintings from the collection of Katz was organised. In the preface of the catalog Visser elegantly verbalized why an exhibition of ancient art was held in a museum of modern art: “because the eternal and spiritual values of this art can not grow old” (6).

With a varied program of tours, lectures and art history courses Visser tried to support the exhibitions to reach different audiences and to increase the number of visitors. To increase the budget of the museum also a Friends of the Museum Association was established. That the educational and documentary tasks of the museum were important, made Visser clear in 1937 with the establishment of the Library.

Acquisitions

With the funds set aside by Henri van Abbe 26 paintings of artists such as Carel Willink, Jan Sluyters, Wim Schuhmacher and Dirk Nijland were acquired for the opening exhibition of the museum. All of these paintings came from Van Abbe’s private collection. From the opening exhibition paintings were once again acquired, 13 in all, by Charles Eyck, Leo Gestel and Gerard Röling and others. The role of external advisers evidently came to an end after this, the responsibility for the selection of  works was taken over by Visser and the Supervisory Board. Visser’s  proposal to collect paintings of the most important representatives of contemporary movements was adopted, but the number of acquisitions nevertheless began to decline sharply in 1937. Gaps in the collection were also filled by loans from other collections. And so even during the 1930s, there was a concern for coherent acquisition and exhibition policies that would reflect contemporary artistic developments, despite the absence of the more avant-garde tendencies. (7). In that respect the solo exhibition by Theo van Doesburg in 1936 did constitute an exception.

 The museum on the practical level

Although Visser elaborated an ambitious program after the opening, the museum was confronted on the practical level with increasing difficulties after 1938. The lack of adequate human and financial resources became particulary detrimental. Visser himself was only appointed for two days a week, also worked as an archivist and from 1939 onwards combined these jobs with a teaching position as well. In addition to Visser only a caretaker was employed, who in practice also acted as a guard and exhibition standbuilder. There were also problems with the display of nudes. With the memorandum about the “moral standards of the display of art at the Stedelijk Van Abbemuseum” (8) Visser tried to take away the resistance in the ‘prudish South’. Although without much success. Because the municipality needed the space also late 1938 the museum closed for six months. Gradually the museum faded into regional isolation.

The situation became worse when the occupation began. Planned exhibitions were cancelled. Museum Kempenland (specializing in local history) and later the air-raid protection service were housed at the museum. In order to reduce the risk of bomb strikes the glass roof was covered with green paint, something which must have made the exhibition of paintings rather difficult. Visser seems to have carried out his work with increasing reluctance. Because he had no desire to hold an exhibition of the NSB (Dutch national socialist movement) he resigned in Februari 1942. Visser’s  successors were J.P.G. Peeters and L. Vrijdag. The museum would then increasingly become a platform for propaganda exhibitions. After the liberation Visser was appointed director again, yet this did not last long : in 1946 he accepted a post as director of the Rijksmonumentenzorg (the ‘National Trust’of the Netherlands).

 

 


 

Van Abbemuseum
This blog is a project of the Van Abbemuseum
Contact: webmaster@vanabbe.nl
VAM Library blog is proudly powered by WordPress
Entries (RSS)