Museumhistorie V : museumbeleid Fuchs

Thursday, July 22nd, 2010

Museumhistorie V : Het museumbeleid van R.H. Fuchs (1975-1987)

Tentoonstellings- en aankoopbeleid

Rudi Fuchs (1942) trad aan per 1 februari 1975. De kunsthistoricus en –criticus Fuchs was als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Leidse Kunsthistorisch Instituut. Hoewel hij evenals De Wilde en Leering bij zijn aanstelling niet eerder had gewerkt in een museum zou ook Fuchs zich ontwikkelen tot een van de leidende Europese museumdirecteuren. Een positie die internationaal werd bekrachtigd door zijn benoeming tot artistiek leider van documenta 7 (Kassel, 1982).
Leering en Fuchs waren tegenpolen waar het de taak van het museum betrof. Voor Fuchs stond de autonomie van de kunst voorop en alleen al daarom kon het museum nooit een instrument zijn voor maatschappelijke hervorming. Met zijn benoeming maakte de gemeente ook duidelijk de door Leering ingezette koerswijziging niet te willen vervolgen. Niet langer lag de nadruk op ideeën over ‘visuele dienstverlening’ en participatie, maar werd het museum een vrijhaven voor autonome kunst. (1)

Was bij de directeurswisseling in 1964 de aandacht verschoven van Europa naar Amerika, nu trad er een tegengestelde beweging op. Fuchs raakte meer en meer overtuigd van de rijkdom van de Europese artistieke traditie die werd gekenmerkt door tal van regionale varianten. Nadrukkelijk stelde hij zichzelf de opgave om niet alleen aandacht te besteden aan de dominante ‘internationale stijl’, maar ook te putten uit andere en voor hem aanvankelijk minder vertrouwde bronnen. Die vond hij voornamelijk in Zuid- en Midden-Europa, bij die kunstenaars die letterlijk en figuurlijk in de periferie van het modernisme opereerden. Dat idee lag ten grondslag aan de aandacht voor Duitse schilders als A.R. Penck, Markus Lüpertz, Georg Baselitz, Jörg Immendorff en Anselm Kiefer, de Arte Povera kunstenaars Giovanni Anselmo, Mario Merz en Jannis Kounellis en de Oostenrijkers Arnulf Rainer, Hermann Nitsch en Günter Brus.

Fuchs met werk van Lawrence Weiner (foto: Peter Cox)

Het Van Abbemuseum fungeerde in Fuchs’ ogen als een ‘arena’ waar soms haaks op elkaar staande kunstopvattingen met elkaar dienden te worden geconfronteerd, variërend van minimal art en conceptuele kunst tot de expressieve Duitse schilderkunst. De inzet was daarbij ambitieus : een ‘dialoog’ zou kunnen leiden tot nieuwe wegen in de kunst. Vooral zijn introductie van de Duitse schilderkunst werd controversieel geacht omdat hier volgens sommigen sprake was van een in artistiek opzicht reactionaire tendens.

Nog sterker dan Leering concentreerde Fuchs zich op de actuele kunst. In eerste instantie richtte Fuchs zich op aankopen en tentoonstellingen van conceptuele kust met kunstenaars als o.a. Lawrence Weiner, Daniel Buren, Ian Wilson, Stanley Brouwn, Michael Asher, Jan Dibbets en Joseph Kosuth. De vernieuwende bijdrage van Engelse kunstenaars op het gebied van de sculptuur kwam tot uitdrukking in tentoonstellingen en aankopen van o.a. Hamish Fulton, Richard Long en Gilbert & George. Ook de door Leering opgebouwde collectie minimal art werd uitgebreid met verwervingen van o.a. Sol LeWitt, Carl Andre, Dan Flavin en Donald Judd. Vanaf 1977 kwam de meer eurocentrische visie duidelijk tot uitdrukking aan de hand van tentoonstellingen en verwervingen van de genoemde Duitse schilders, vanaf 1980 met werken van de Arte Povera kunstenaars, terwijl vanaf 1983 ook zijn interesse in de Oostenrijkse kunst in de collectie zichtbaar wordt. (2) Het algemene uitgangspunt bij het collectiebeleid bleef gelijk aan dat van zijn voorgangers: de aankoop van individuele werken van zeer hoge kwaliteit, waarmee zonder volledig te zijn een beeld kon worden geschetst van de belangrijkste artistieke ontwikkelingen van de 20e eeuw. (3)

Inrichting tentoonstelling Donald Judd (1970)(foto: v.d. Bichelaer)

Thematentoonstellingen

Een belangrijke tendens onder Fuchs is de opkomst van thematentoonstellingen, waarbij kunstenaars werden geconfronteerd op basis van hun houding en niet op stijl of formele uitgangspunten. Tentoonstellingen als De Statua (1983), Uit het Noorden (1984), Don Giovanni, Het ijzeren venster (1985) en Regenboog (1987) vertoonden dit principe. Fuchs paste ditzelfde idee toe bij de collectiepresentaties en bij documenta 7. Door deze werkwijze traden kunstwerken uit hun ‘stilistische geborgenheid’ en werd een alternatief gepresenteerd voor een lineair ontwikkelings- en presentatiemodel dat paste bij de dialectische cultuuropvatting. Een ‘collectiemuseum’ waar Fuchs voorkeur naar uitging, paste perfect in zijn wens naar vertraging en introspectie. Het moderne kunstbedrijf met steeds wisselende tentoonstellingen en hang naar ‘nieuwe’ en jonge kunstenaars werd daarbij door hem in toenemende mate als hectisch en modieus ervaren.

Tentoonstelling ‘De Verzameling deel II : De keuze van Rudi Fuchs (1999)(foto: Peter Cox)

Omdat Fuchs zich steeds duidelijker distantieerde van de actualiteit en onvoorwaardelijk voor ‘zijn’ kunstaars koos, kreeg zijn beleid in de loop van de jaren ’80 langzaam meer kritiek in de media. (4) In zekere zin was dat een logisch gevolg van zijn “partijdige” werkwijze. (5) Diezelfde eigenzinnige opvatting zou hij vanaf 1987 demonstreren in zijn directeursfunctie van het Haags Gemeentemuseum, een positie die hij van 1993 tot 2003 verruilde voor die van het Stedelijk Museum Amsterdam.

Noten:

1. Fuchs’ eerste algemene beleidsnota dateert van november 1975.
2. Overzicht tentoonstellingen R.H. Fuchs Van Abbemuseum 1975-1987.
3. De in 1999 door Fuchs zelf samengestelde collectiepresentatie ‘De Verzameling deel II. Aanwinsten uit de periode 1975-1987’ geeft een goed beeld van het aankoopbeleid. In het kader van Play Van Abbe (Deel I) werd in 2009 een reconstructie door Fuchs gemaakt van zijn collectiepresentatie uit 1983.
4. Ook Fuchs’ chronische begrotingsoverschrijdingen bij het Van Abbemuseum stuitte op steeds meer kritiek. Onder de kop ‘Dynasty aan de Dommel’ sprak het Eindhovens Dagblad (20-08-1987) zijn afkeuring over het beleid uit.
5. “In de kunst gaat het om partijdigheid. Je bent voor iets of je bent tegen iets”, In: De Tijd, 27-10-1978

Suggesties voor verder lezen:
- R. Pingen, Dat Museum is een Mijnheer (Amsterdam : Artimo, 2005), pp. 350-456
- J. Debbaut … [et al.], Een collectie is ook maar een mens (Eindhoven : Stedelijk Van Abbemuseum, 1999), pp. 87-119
- R. Fuchs, Recht op schoonheid. Columns 1988-1997 (Amsterdam : De Bezige Bij, 1999)
- R. Fuchs, Tussen kunstenaars. Een romance (Amsterdam : De Bezige Bij, 2002)

Translation:

Museumhistory V : The museum policy of Fuchs (1975-1987)

Exhibition- and acquisition policy


Rudi Fuchs (1942) came to the helm on February1, 1975. An art historian and art critic, he had been previously employed as a researcher at the Leidse Kunsthistorisch Instituut. Like De Wilde and Leering, he had never worked in a museum before, yet Fuchs would also develop into one of the leading museum directors of Europe, a position that would be officially recognized by way of his appointment as artistic director of documenta 7 (Kassel, 1982). Leering and Fuchs can be regarded as opposites with respect to their views on the function of the museum. For the latter, the prime concern was the autonomy of the art, and for that reason alone the museum could never be an instrument for social change. With the appointment of Fuchs, the municipality made clear to the outside world that it no longer wished to follow the change of course instigated by Leering. No longer did the emphasis lay with inspired ideas on ‘visual services’ and participation : the museum became a have for ‘pure’art.

While the change of directors in 1964 was accompanied by a shift of focus from Europe to the United States, there now came a shift in the opposite direction. Fuchs became more an more convinced of the wealth of European artistic tradition, which was characterized by countless regional variants. He emphatically made it his task not to confine himself to the dominant ‘international style’, but also to draw on other sources, initially less familiar to him. He found these – for the most part – in the southern and central part of Europe, among artists who were literally and figuratively operating on the fringes of modernism. That idea was the basis for his interest in German painters such as Penck, Lüpertz, Baselitz, Immendorff and Kiefer, the Arte Povera artists Giovanni Anselmo, Mario Merz and Jannis Kounellis and the Austrians Arnulf Rainer, Herman Nitsch and Günter Brus.
The Van Abbemuseum functioned in Fuchs’s view as an ‘arena’ where occasionally antithetical ideas on art, ranging from Minimal Art and Conceptual Art to the expressive German painting, were to confront each other. This was an ambitious venture: a ‘dialogue’ could open up new roads in art. Fuchs’s introduction of German painting was considered controversial, because some saw this as a reactionary tendency from an artistic point of view.

To an even greater extent than Leering, Fuchs concentrated on current art. Initially Fuchs focused on purchases and exhibitions of Conceptual Art, something which was viewed by him as being the leading tendency of that time. Over the years this grew into a respectable series including among others Lawrence Weiner, Daniel Buren, Ian Wilson, Stanley Brouwn, Michael Asher, Jan Dibbets and Joseph Kosuth. The innovative contributions of British artists in the realm of sculpture were reflected in exhibitions and purchases of work by Hamish Fulton, Richard Long and Gilbert & George. In addition to this, the collection of Minimal Art set up by Leering was further developed with acquisitions from Sol LeWitt, Carl Andre, Dan Flavin and Donald Judd. In 1977 the more Eurocentric vision began to emerge, first with exhibitions and acquisitions of work by the previously mentioned German Painters. The works of the Arte Povera artists followed as of 1980, and in 1983 Fuchs’s interest in Austrian art started to become visible in the collection. The general premise of the collection policy remained consistent with that of his predecessors: the purchase of individual works of very high quality, which could provide an impression – albeit incomplete – of the most significant artistic developments of the twentieth century.

Theme exhibitions

Fuchs’s directorship was marked by a prominent trend involving theme exhibitions, in which artists were dealt with on the basis of their attitudes and not on the basis of style or formal point of departure. Exhibitions such as De Statua (1983), Uit het Noorden (1984), Don Giovanni, Het ijzeren venster (1985) and Regenboog (1987) demonstrated this principle. Fuchs also implemented this idea with presentations of the collection and with documenta 7. This approach was intended as means releasing works from their ‘stylistic security’ and offering an alternative to the linear model of development and presentation that neatly corresponded to the dialectic notion of culture. A ‘collection museum’, which Fuchs preferred, was consistent with his wish for deceleration and introspection. To an increasing degree, the present-day art business, with its ever-changing exhibitions and fondness for ‘new’ and young artists, was regarded by him as being too hectic and fashionable.

Because Fuchs distanced himself more and more from the current scene and displayed unconditional loyalty to ‘his’ artists, his policy gradually received more criticism in the media throughout the course of the eighties. In a certain sense, that was a logical consequence of his way of working: “Partisanship is the issue in the art world. You’re for something or you’re against something. When you’re for something you have to propagate it fervently, and the museum is an instrument for this”, he had said in 1978. That same outlook would also demonstrated by him after 1987 as director of the Haags Gemeentemuseum, a position that he gave up in 1993 to become director of the Stedelijk Museum in Amsterdam till 2003.

 


 

Van Abbemuseum
This blog is a project of the Van Abbemuseum
Contact: webmaster@vanabbe.nl
VAM Library blog is proudly powered by WordPress
Entries (RSS)