Tuesday, September 11th, 2012

Mieke Rijnders: museumbeleid kennen helpt je te ontdekken wat een directeur met kunst wil.

Het tweede seizoen van de salon opende met een lezing van Mieke Rijnders, hoofddocent kunstgeschiedenis aan de Open Universiteit te Heerlen. De belangstelling was overweldigend. Het onderwerp leende zich ook voor een groot en geïnteresseerd publiek: Een Museum met zes gezichten.
Mieke ging in haar lezing uit van vier verschillende museumopvattingen:
- De klassieke museumopvatting: het verzamelen van een collectie algemeen hoge kwaliteit. In ‘Jonge kunst’ wordt niet geïnvesteerd. In het Van Abbemuseum is geen enkele directeur een duidelijke representant van deze opvatting.
- De autonome kunstopvatting: hier prevaleert het historische aspect. Een museum laat de chronologie van de geschiedenis zien. De nieuwste opvattingen krijgen ook hier hun plaats. De directeur Visser, De Wilde en Fuchs zijn in deze opvatting te herkennen.
- De responsieve museumopvatting: het museum richt zich op het maatschappelijk belang van het publiek, het accent ligt op educatie. Vooral Jean Leering is van deze opvatting een representant.
- De avant-garde museum opvatting: de kunst speelt een voortrekkersrol bij vernieuwingen die cultuur en maatschappij betreffen.
- De directeuren Debbaut en Esche zijn niet goed in een van voorgaande opvattingen onder te brengen. Van ieder van hen zijn verschillende opvattingen in hun beleid terug te vinden.

De verschillende museumopvattingen zijn te herkennen aan het beleid van de verschillende directeuren die het Van Abbemuseum in de loop der jaren bestuurd hebben.

De eerste directeur, direct na de oprichting van het museum, is Wouter Visser. Hij is directeur van 1936 tot 1942. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er een vacuüm tot 1945, waarna Visser nog tot het einde van het jaar zijn rol als directeur vervult. Visser verzamelt alle contemporaine stromingen. Het magisch realisme met Willink en Schumacher maakt vanaf zijn directoraat deel uit van de collectie. Werk uit De Stijl groep vindt hij niet van belang en koopt hij niet aan.

Edy de Wilde (1946 – 1963) verzamelt in zijn beginjaren voornamelijk Nederlandse schilderkunst. In een later stadium voegt hij werken uit de internationale kunst toe aan de collectie. Vooral kubisme met de voorkeur voor ordenen en later expressionisme met als contrast aandacht voor het gevoel. Cobra en later kunst uit de kunstcentra Parijs en Londen.

Jean Leering ( 1964 1973) is een levendig contrast met zijn voorganger. Architectuur, stedenbouw, typografie doen hun intrede. Maar vooral zijn maatschappelijke belangstelling bepaalt zijn museumopvatting. Het museum moet een levend instituut zijn dat midden in de samenleving staat. Zijn tentoonstelling ‘De Straat’ toont dit op excellente wijze. Leering is naast zijn maatschappelijke betrokkenheid ook van groot belang door zijn aankoop van een grote collectie werken van Lissitzky.

Rudy Fuchs (1975 – 1987) is de tegenpool van Leering. Kunst moet volgens hem voor zich zelf spreken. Maatschappelijke relevantie wijst hij af. Typerend is dat hij de educatieve dienst meteen ophief. Hij verzamelt voornamelijk minimal en conceptual art. Hij ontdekt de kunst in Duitsland met Bazelitz en Immendorf en laat Nederland kennis maken met de Italiaanse Arte Povera.

Jan Debbaut ( 1988 – 2003) krijgt de kans om op de Vonderweg ruimschoots te experimenteren. Dit is de periode dat het nieuwe Van Abbemuseum wordt gebouwd en de ruimte aan de Vonderweg bieden onverwachte kansen.
Charles Esche (vanaf 2003) wil de relatie tussen museum en maatschappij herstellen en stelt tevens het museum als instituut ter discussie. De discussie hierover is momenteel actueel en zal nog wel enige tijd voortgezet worden.

pvb

presentatie Mieke Rijnders

Van Abbemuseum
This blog is a project of the Van Abbemuseum
Contact: webmaster@vanabbe.nl
VAM Library blog is proudly powered by WordPress
Entries (RSS)